Interview met Sarah Welling
Met Engels kun je de hele wereld in je les brengen

- Lisa Maier – Universiteit van Amsterdam
Interview met Sarah Welling
In haar vorige banen als redacteur bij een taalbureau en een communicatieafdeling van een grote instelling ontwierp en gaf Sarah ook taaltrainingen en workshops. Vooral dat ontwerpen en het nadenken over hoe je kennis overdraagt vond ze interessant. Toch hield ze het idee van werken in het onderwijs nog even af. Sarah: “Ik kom uit een familie van leraren en hoewel ik in mijn twintiger jaren al even voor de klas heb gestaan, heb ik de keuze voor het onderwijs bewust een tijd afgehouden. Maar door het plezier dat ik haalde uit die trainingen voor het vertaalbureau bedacht ik gaandeweg dat ik daar meer mee moest doen. Ik heb er lang over nagedacht: ga ik dit echt aan met die doelgroep op het vo? Maar ik dacht ook: als je dit kan, kan je alles, en het geeft je bovendien een ingang naar allerlei soorten onderwijs. Dus toen besloot ik ervoor te gaan.”
Via de regeling Zij-instroom in Beroep (ZiB) kwam Sarah terecht bij het Aan-de-Slag-voor-de-Klas programma van de UvA. Sarah: “Ik heb op de UvA Engels gestudeerd en ik wist dat een eerstegraads lerarenopleiding bij mij paste. Maar hoe ging ik dat doen naast een baan van vier dagen? Toen zag ik de vacature op Meesterbaan voor een kleine aanstelling van 0,2. Dat sprak me aan en zo kwam ik op het ASK-traject uit. Het was voor mij de enige mogelijkheid, want een deeltijdopleiding die je in je werkweek moet inpassen werkt voor mij niet. In plaats van elke week een dag studie, heb je hier vier weken in een jaar waarin je alle colleges volgt. Dat betekent dat je niet minder hoeft te gaan werken. Anders had ik het niet gedaan want ik heb mijn inkomen nodig. Ik heb twee jaar fulltime gewerkt: vier dagen als vertaler en een dag op school. Eigenlijk is dat niet te doen, maar het was financieel nodig. Veel mensen die hierin stappen zijn echt gemotiveerd, en echte doorzetters, dus daar struikel je niet op. Maar de randvoorwaarden voor zij-instromers, zoals een betaalde aanstelling, kunnen beter. Je moet ook minstens een dag aan studeren besteden, maar niet iedereen kan het zich veroorloven om maar vier dagen te werken. Mensen hebben een leven en dat kunnen ze niet even stil zetten.”
Sarah werkt op twee niet-traditionele scholen, een Montessorischool en een Agoraschool. Waarom heeft ze daarvoor gekozen? Sarah: “De manier waarop daar wordt gewerkt past bij mij, bij hoe ik dingen in mijn les behandel. De docenten houden zich bezig met ontwikkeling en daar leer ik veel van. Ik ben nog bezig met afstuderen en vind het eerlijk gezegd best moeilijk om dingen die ik intuitief doe constant te moeten koppelen aan de theorie, iets wat een groot gedeelte vormt van de studie. Maar ik ben me door mijn werkervaring wel steeds meer bewust van die link, en waarom bepaalde dingen goed werken. Mijn kracht is het ontwerpen van lessen, en opdrachten bedenken die de creativiteit van leerlingen aanboren. Want die is er, en het is super om te zien wat voor originele en soms bizarre dingen die daar uit kunnen komen.”
Op de vraag wat voor soort docent ze wil zijn, antwoordt Sarah: “Ik wil een docent zijn, en ik hoop dat ik dat al enigszins ben, die open staat voor de input van de leerlingen; daardoor komt het onderwijs echt tot leven. Het moet een soort samenwerking zijn. Op een van de scholen waar ik nu werk, wordt met projecten gewerkt, dat vind ik heel fijn. Daar mogen de leerlingen bijvoorbeeld uit vier boeken er een kiezen en dan moeten ze een presentatie geven over de tijd waarin het boek speelt. Ze moeten dus ook onderzoek doen. Dat zijn de leukste en leerzaamste momenten. Het leuke aan Engels is ook dat je de hele wereld in je les kunt brengen. Als je keuze en autonomie hebt, is de motivatie groter. Dus voor mij is het common sense om zo te werken.”
Sarah heeft het gevoel dat ze nu aan het consolideren is en aan het onderzoeken op welke manier ze het fijn vindt om les te geven. Sarah: “Bij de Agoraschool is dat in kleine groepen of een op een, dat is super leerzaam. Je denkt bijvoorbeeld na over hoe je een leerling begeleid om een volgende stap te zetten, hoe je dat samen kunt aanpakken en de leerling keuzeruimte geeft. Een voordeel daarbij is dat ik op twee verschillende scholen werk. Die variatie is fijn. Ik heb bewust voor twee kleine aanstellingen gekozen, dan heb je namelijk geen mentortaken. Dat is een extra schep verantwoordelijkheid en ook een nieuwe skillset. Ik kan me voorstellen dat het energie kost om je dat eigen te maken, en ik wil me eerst nog wat zekerder voelen in mijn rol als leraar. Ik heb er begrip voor dat een school alle klassen moet coveren met mentoraat en dan ook de nieuwkomers mentor maakt, uiteraard wel met ondersteuning. Maar voor het behoud van je docenten vind ik het wel een aandachtspunt. Mijn advies aan scholen is: las een periode in waarin je dat mentorschap even niet bij beginners neerlegt.”
Een tip die Sarah wil meegeven aan mensen die het leraarschap overwegen is dat het belangrijk is om in de fase dat je een school zoekt, goed te kijken of die goed bij jou past, en te checken of er ruimte is voor begeleiding. Sarah: “Door het lerarentekort hebben scholen soms moeite om mensen vrij te spelen daarvoor. Begrijpelijk, maar zeker dat eerste jaar kun je je kwetsbaar voelen; alles is nieuw en soms pak je iets verkeerd aan. Dan heb je echt mensen om je heen nodig die je steunen en die dingen kunnen relativeren. Dat voorkomt dat je aan jezelf gaat twijfelen. Ik vraag zelf niet snel om hulp, maar ik ervaar wel de steun van mijn collega’s.”
Je kunt Sarah volgen op LinkedIn.
Contact
Universiteiten van Nederland
Lange Houtstraat 2
Postbus 13739
2501 ES Den Haag
Regionale allianties lerarenopleidingen